Werkspoor Koren Opera

Werkspoor Koren Opera met publiek

Zaterdag 20 juni 2015 ging de Werkspoor Koren Opera in première in de voormalige Machinehal van het Utrechtse bedrijf Werkspoor. Hieronder de achtergrond en aanleiding van dit bijzondere project.

 
Dichter Ruben van Gogh heeft een fascinatie voor de vaak vervallen industriegebouwen die Utrecht rijk is: aan de Leidseweg, rond Rotsoord, nabij het Oog in Al Park en natuurlijk in het Werkspoorgebied. Toen hij zich realiseerde dat er maar weinig Utrechters in leven zijn die zelf nog in deze gebouwen hebben gewerkt, bedacht hij dat dit Utrechts industrieel erfgoed onderwerp van een opera zou worden. Vanwege de symboliek van treinen, sporen en bruggen koos hij voor het Werkspoor als ‘personage’. Om de Utrechters zelf dit erfgoed vocaal uit te laten dragen, bedacht hij het concept van een korenopera.
Tot in de jaren ’70 van de vorige eeuw was Werkspoor het industrieel hart van Utrecht. Zuilen, eerst als zelfstandige gemeente en daarna als onderdeel van stad Utrecht, werd zelfs volledig op de schop genomen om de fabrieksarbeiders ervan te kunnen huisvesten. De bulderende fabrieken van Werkspoor betekenden de opmaat tot een 24uurs economie in Utrecht en trokken menig buitenlands werknemer naar de stad. Daarmee is het Werkspoorkwartier symbool geworden voor het tijdperk van de globalisering. Werkspoor sloot zijn poorten in de late jaren ’70. De jonge arbeiders van toen zijn de oude mannen van nu geworden. De herinneringen vervagen of gaan mee in het graf. Utrecht lijkt haar jonge, industriële geschiedenis bijna vergeten te zijn.
De industriële erfenis van Utrecht roept niet alleen nostalgie op. Een gebied als dat rondom het voormalige Werkspoorterrein schreeuwt ook om een nieuwe toekomst. Hoe kan dit erfgoed weer opnieuw worden ontwikkeld terwijl haar identiteit voelbaar blijft? De kenmerkende signatuur van plekken als deze is méér dan alleen een vergane herinnering. De herontwikkeling van de voormalige machinehal van Werkspoor tot de Werkspoorkathedraal waar werken, leren en ontspannen een plek krijgen is een fraai voorbeeld van de nieuwe toekomst die industrieel erfgoed kan krijgen. De Werkspoor Koren Opera leunt sterk op het werk dat Expodium, een urban do tank, verricht voor de transformatie van het Werkspoorkwartier.

De Werkspoor Koren Opera heeft als doel verleden, identiteit en toekomst van het Werkspoorgebied met elkaar te verbinden. De opera is een klinkende expositie van zes splinternieuwe koorstukken over het fameuze Werkspoor NV: een rangschikking van gezongen tekst, muziek, mensen en ruimte met als thema het dagelijkse leven in en om Werkspoor. De opera wordt uitgevoerd in ‘tableaus chantants’, zes tekstueel-muzikale beelden die zicht bieden op het verleden van Werkspoor.
In de Werkspoor Koren Opera fungeren zes prominente Utrechtse koren als collectieve personages, die elk staan voor een eigen aspect van de geschiedenis van het Werkspoor. De zes koren verschillen onderling sterk in karakter: De Hollandse Noot met haar tomeloze enthousiasme en nostalgische klank; Popkoor Zuilen met een opwindend gevoel voor ritme; BonTon met haar op klassieke leest geschoeide benadering; Het Popkoor van het UCK met een scherp oor voor klankraffinement binnen een pop-achtige sfeer; De Stem des Volks en haar muzikale strijdbaarheid; De Steegzangers met massieve, meeslepende klankblokken.
Componist Bob Zimmerman schreef de muziek op deze uiteenlopende collectieve koorpersonages. De zes koren geven op hun eigen unieke wijze gestalte aan de zes uiteenlopende tekstuele thema’s en muzikale stijlen. De zes koorstukken worden vocaal verbonden door een mannenkwartet afkomstig uit het Nederlands Kamerkoor, met commentariërende teksten, ook weer met een eigen, zeer kenmerkende muzikale stijl.
De tekst van Ruben van Gogh beschrijft de ontwikkeling van Werkspoor Utrecht vanaf het prille begin tot het rumoerige einde, van de komst van talloze Amsterdamse werklui naar Zuilen tot de stakingen in de jaren ’70, de sterke onderlinge verbondenheid van de mensen van Werkspoor, hun ‘vaktrots’, het plezier waarmee er werd samengewerkt én de strijdlust die los kwam toen het bedrijf in zwaar weer belandde. De geschiedenis die zo’n grote stempel op Utrecht en vooral op Zuilen heeft gedrukt wordt opnieuw voelbaar in de Werkspoor Koren Opera. ‘Op kleine schaal wordt elk verhaal hier levensgroot’ horen we in Met de blauwe engel. Tegelijkertijd krijgt de historische identiteit van het Werkspoorgebied een duurzame toekomst: doordat de zes koren de liederen op hun repertoire zullen blijven houden zal de muziek nog jaren door de stad blijven galmen.

Hans Abrahamsen – Schnee (2008)

Hans Abrahamsen, geboren in 1952, studeerde muziekgeschiedenis, muziektheorie en hoorn aan het conservatorium van Kopenhagen. Daarnaast had hij privéles in compositie van Per Nørgård en Pelle Gudmundsen-Holmgreen, twee van de grondleggers van een stroming die wel ‘nieuwe eenvoud’ (‘nye enkelhed’) wordt genoemd en die zich ontwikkelde in de jaren ’60 en ’70 uit het gedachtegoed van het minimalisme. Het minimalisme kwam overgewaaid uit de Verenigde Staten met de muziek van componisten als LaMonte Young, Steve Reich en Phillip Glass. Zij waren geïnspireerd door ideeën uit met name de beeldende kunst en transformeerden deze in éénduidige, uiterst economisch gecomponeerde muziek waarin herhaling, een gebrek aan ontwikkeling en een doorgaande ritmische puls de hoofdmoot vormen. Hoewel de componisten die zich op deze ‘nieuwe eenvoud’ beriepen uit reactie op de complexiteit van de seriële muziek die in de jaren ’50 nadrukkelijk werd gepromoot, deelt ze ook een overeenkomst daarmee. Beide stijlen beogen een zeker ‘objectivisme’ in de keuze en bewerking van muzikaal materiaal. Maar waar de serialisten uit Duitsland en Italië vertrouwden op de expressieve kracht van complexe en hoekige structuren, zocht deze nieuwe generatie haar heil in eenvoud en beperkingen.

Abrahamsen schreef aanvankelijk werk waarin eenvoudige contrasten tussen muzikaal materiaal werden uitgebuit. In stukken als Skum (1970) of Tien preludes voor strijkkwartet (1973) horen we deze contrasten tussen massieve ‘klankblokken’, vaak opgebouwd uit cellen van drie noten. Later in zijn carrière ontwikkelt Abrahamsen een meer complexe, dramatische stijl, te horen in onder meer zijn Tweede Strijkkwartet en Trompeten (1981), waarschijnlijk zijn meest populaire werk. Abrahamsens werk is doorgaans bondig en wordt gekenmerkt door lichte, verfijnd georkestreerde texturen, een gebrek aan scherpe dissonanten en de inzet van compositietechnieken als collage en pastiche. Door het volledige oeuvre van Abrahamsens heen is zijn aandacht voor transparantie in de instrumentatie de meest constante factor: niet voor niets doceert hij orkestratie aan het conservatorium waar hij zelf ooit werd opgeleid. In 1990 richtte Hans Abrahamsen met Søren Hansen het Århus Sinfonietta op, een ensemble dat sindsdien één van de belangrijkste uitvoerders en pleitbezorgers is van nieuwe muziek in Denemarken. Daarnaast is Abrahamsen ook actief als arrangeur van werk van Satie, Ravel en landgenoot Nielsen en werkte hij lang samen met Oliver Knussen, wiens werk u vóór de pauze hoorde.

Schnee is geschreven in opdracht van het Ensemble Reserche, een ensemble van negen musici gebaseerd in Freiburg. Het stuk ging in première op de Wittener Tage für Neue Kammermusik. Schnee is wat betreft lengte een uitzondering binnen het oeuvre van Abrahamsen dat gedomineerd wordt door korte vormen. Zijn Pianoconcert uit 2000 bijvoorbeeld duurt slechts een kwartier terwijl Schnee bijna een uur duurt. Abrahamsens muzikale taal is extreem gecomprimeerd en in die zin verwant met die van Anton Webern, hét voorbeeld voor de serialisten. Ook Webern schreef in uiterst korte vormen en mag met recht de koning van het muzikale aforisme genoemd worden. Schnee omvat evenwel een grote structuur die is opgebouwd uit 13 delen: 5 canons die elk zijn opgedeeld in een A en B-deel en onderbroken worden door 3 intermezzi. De negen musici zijn opgesteld in twee groepen van vier met de slagwerker daartussen. In de drie intermezzi horen we de musici hun instrumenten stemmen om microtonale tonen te realiseren.

De klanken die Schnee bevolken zijn uiterst karakteristiek: hoewel elk van de tien canons een opmerkelijk eigen karakter bezitten, associeert elk van de delen een klankmatige representatie van sneeuw. Het knarsende geluid wanneer je eroverheen loopt, de kristallachtige structuur van ijs, de volstrekt galmloze klank van de buitenwereld wanneer een pak sneeuw de grond bedekt. De enigmatische klanken die Schnee zo overdadig bevolken zijn geïnspireerd op de schilderijen vol grijstinten van kunstenaar Gerhard Richter. Zoals in Richters schilderijen het afgebeelde object maar nauwelijks zichtbaar is en slechts de suggestie van een afbeelding oproept, zo horen we in Schnee nog slechts de contouren van wat de muzikale conceptie geweest moet zijn. Een voorbeeld hiervan is het steeds terugkerende openingsmotief van de viool in de eerste canon waarbij Abrahamsen een ultrahoge boventoon voorschrijft en daarbij het speelvoorschrift ‘eisig’ geeft. De noot die klinkt lijkt nauwelijks meer te zijn dan bewegende lucht, zo ijl en zo breekbaar. Deze techniek heeft een plek in de partijen van alle strijkers en krijgt een echo in het wrijven met papier door de percussionist in Canon 1b. Klankmatig doet Schnee denken aan de bijzondere, verfijnde en eveneens enigmatische timbres die de Amerikaan Morton Feldman in zijn werk oproept, bijvoorbeeld in zijn stukken voor cello en piano.

De muzikale structuur vindt haar voorbeeld in de staalkaart van canonische principes die de Goldberg Variaties van Johann Sebastiaan Bach bevolken. De ‘objectivering’ die Abrahamsen en zijn geestverwanten voorstaan is in dit opzicht van belang: juist door de keuze van oude, traditionele compositietechnieken als de canon verkrijgt de muziek een vaste, objectieve waarde. Elke canon in Schnee is in drie delen gegoten waaruit een ABA structuur resulteert. Elk canon is geïnstrumenteerd voor een andere sectie uit het ensemble zodat het klankenpalet sterk varieert. Slechts enkele canons worden door het gehele ensemble gespeeld. Canon 4 is een homage aan Wolfgang Amadeus Mozart (WAM) en meer in het bijzonder diens Deutsche Tänze KV 605. Deze canons zijn bovenmatig hectisch geïnstrumenteerd en bevatten in vergelijking met de anderen veel meer muzikale informatie. In een ander tijdperk en in een andere gedaante had Canon 4 door kunnen gaan als het Scherzo van dit werk.

Opmerkelijk tot slot is dat Schnee oorspronkelijk bedoeld is om zonder dirigent uit te voeren. Al snel in haar nog korte uitvoeringsgeschiedenis bleek dat onhaalbaar om tot een uitvoering van dit stuk te komen die recht doet aan de bijzondere structuur en ongekend verfijnde klankrijkdom van dit stuk.

Who’s Next?

Een meisje uit de derde klas van een middelbare school uit Almere stoot haar vriendin aan. Ze gebaart ‘dit is het!’ en pakt snel haar telefoon. Terwijl ze het hele lied filmt dat Christoph Prégardien zingt, zie ik dat haar lippen de teksten meeprevelen. Twee uur eerder zong zij op hetzelfde podium van de Schouwburg Almere met haar klasgenoten hetzelfde lied: anderhalf uur heeft ze naar Schuberts Winterreise geluisterd om de finale te horen. Ze zal ‘Der Leiermann‘ nooit meer vergeten. De woorden van Who’s Next directeur Idske Bakker nét voordat Prégardien het podium betrad, krijgen hier vorm: ‘Ik wil dat jongeren die meedoen aan Who’s Next óók de top in beeld hebben’. Dit meisje, bij Who’s Next betrokken via school, heeft deze top vrijdagavond 10 oktober in beeld. Wellicht maar één keer, maar die ervaring zal ze nog lang bij zich dragen. Even leek het of Christoph Prégardien zich bewust was van het filmende meisje: vanuit mijn optiek zag ik dat hij vaak in haar richting keek. Kruisbestuiving.

Who’s Next richt zich op talentontwikkeling en educatie met de klassieke muziektraditie als uitgangspunt. Jongeren uit Almere konden zich voor deze eerste editie van het ambitieze festival inschrijven voor workshops en op de middelbare scholen van Almere zijn vier projecten gerealiseerd, elk één voor de eerste vier leerjaren op school. Brugklassers bezochten de Classic Express, de rijdende concertzaal van het Prinses Christina Concours; tweeklassers presenteerden een choreografie op Tehillim van Steve Reich, 30 derdeklassers lieten zich inspireren door de Winterreise en maakten op basis van Schuberts indringende werk een korte presentatie. Tot slot zijn Almeerse vierdeklassers actief geweest met het compositieproject van Orkest ‘de ereprijs’.

Who’s Next leverde met deze insteek mooie, onverwachte combinaties op van werelden die normaal gescheiden blijven. Jongeren, nauwelijks bekend met klassieke muziek, dansen op een minimalistisch stuk van Reich; kinderen zingen ‘Der Leiermann‘ in de context van hun eigen reisverhaal, piepjonge componisten trachten ‘de ereprijs’ een ‘housebeat te laten spelen. De cirkel die Who’s Next om de klassieke traditie heen trekt is groot. Zo groot, dat in principe heel Almere erin moet passen.

Who’s Next belooft veel voor de toekomst. In deze eerste editie bleek het educatieprogramma dusdanig vruchtbaar dat ook andere scholen uit Almere geïnteresseerd zijn geraakt om deel te nemen. De talentontwikkeling voor jonge musici die ook deel uitmaakt van de missie van Who’s Next, zal volgend jaar een stevige impuls krijgen. Dan zal Who’s Next de competitie voor jonge musici die deel uitmaakte van voorloper Kamermuziekfestival Almere opnieuw organiseren. Wanneer Who’s Next zich met deze brede blik blijft ontwikkelen als ‘hub’ voor jongeren en klassieke muziek, zullen daar de komende jaren heel mooie dingen gaan gebeuren. Werkend vanuit prikkelende kaders zal het contact tussen jongeren en jonge musici worden gestimuleerd met als doel beide werelden bij elkaar te brengen. Jonge musici leren zich mét hun vakmanschap en muzikale bagage te verhouden tot hun leeftijdgenoten; zij, op hun beurt, worden gestimuleerd om de klassieke muziektraditie te leren kennen en hun visie daarop vorm te geven.

Iets van die wederzijdse kruisbestuiving was al voelbaar op het podium vrijdagavond. Toen het publiek na de pauze in de zaal terugkeerde, was de theatrale speelvloer van voor de pauze vervangen door een volledige klassieke setting. Toch was de energie van de Almeerse jongeren nog voelbaar in de zaal en het leek alsof ook de musici van het Insomnio Ensemble en tenor Christoph Prégardien dat voelden. In het geweldige eerste lied uit de Winterreise, vandaag gespeeld in de expressieve bewerking van Hans Zender, neemt Prégardien even de microfoon om zich boven de tumultueze klanken van het orkest te verheffen. Op dat moment voelen we als publiek héél even de aanstekelijke energie van de jongeren uit Almere resoneren in de zaal…

Díe kruisbestuiving zal de stad Almere én de Nederlandse klassieke muziekwereld veel moois brengen de komende jaren, is mijn overtuiging. Aan de ambitie en de slagkracht van de organisatie van Who’s Next zal het in ieder geval niet liggen. Het festival kreeg pas op een zéér laat moment groen licht en moest in krap twee maanden gerealiseerd worden. Gezien het inspirerende resultaat van deze eerste editie maakt dat méér dan nieuwsgierig naar volgend jaar…

Als inleiding op de presentatie van De Winterreise door de Almeerse jongeren schreef ik een fictieve brief aan Franz Schubert.

Smells like teen spirit? Componistencollectieven in Nederland

‘Smells like team spirit’ luidt de titel van het gesprek met jonge componisten dat ik mocht modereren op de tweede editie van het Gaudeamus Jonge Componistenbal op 25 januari 2014. Met deze referentie aan Nirvana’s baanbrekende hit van alweer 20 jaar geleden als motto, sprak ik 4 componisten die onderdeel uitmaken van een ‘collectief’. Bart de Vrees en Wilbert Bulsink van het Amsterdamse Monotak en Dianne Verdonk en Gagi Petrovic van Soundlings spraken over hun beweegredenen om zich aan te sluiten bij een groep gelijkgestemde vakgenoten.

‘Componistencollectief’. Wie dacht dat deze term de jaren ’70 niet had overleefd, komt bedrogen uit. Door de geschiedenis heen en zeker ook vandaag de dag zijn er tal van voorbeelden van gelijkgestemde muziekscheppers die elkaar opzoeken. Dat kan een los verband betreffen waarin vooral in praktisch zin wordt samengewerkt maar ook betekenen dat componisten daadwerkelijk samen aan één muziekstuk werken.
Dat laatste blijkt in de praktijk van zowel Soundlings als Monotak nog een uitzondering. Samenwerking binnen de beide collectieven is vooral gericht op het delen van kennis en ervaring én het in praktische zin ondersteunen van elkaars werk. Dat kan gaan om productionele of publicitaire zaken: samen een pand delen, met elkaar optreden, pr verzorgen, een gezamenlijke boekhouder etc.
Maar dat is -hoe noodzakelijk en nuttig ook- toch niet dat waar ik direct aan denk bij het horen van het woord ‘collectief’. Meer vakinhoudelijk wordt er ook samengewerkt maar beiden groepen gaven aan dat nog maar sporadisch te doen. Bij Soundlings heeft elk lid van het collectief een eigen profiel, nauw verbonden met de reeks specialistische opleidingen die bij Kunst, Media en Technologie aan de HKU in Hilversum worden aangeboden. Soundlings werkt vaak in opdracht. Dat maakt samenwerken voor de hand liggend en soms heel nuttig omdat ieder zijn eigen kennis en expertise meebrengt. Ieders specifieke kennis en kunde krijgen een plek in het uitvoeren van de opdracht. In het geval van de meer op autonoom werk gerichte componisten van Monotak ligt het wel in de lijn der verwachting dat er meer inhoudelijk wordt samengewerkt, maar is dat toch wat lastiger… Splendor, het nieuwe Amsterdamse podium/platform waar veel leden van Monotak zich presenteren is een cruciale speeltuin hiervoor. Monotak zal zich daar blijven profileren en daarbij zal de artistieke kruisbestuiving tussen de leden zeker een plek krijgen zonder dat dat een vooropgezet doel is.
Eigenlijk was het een ander gesprek dat ónder het verhaal van deze collectieven ligt. Niet zozeer het scheppende aspect is voor Bart de Vrees en Wilbert Bulsink de reden om zich te verenigen in een collectief, maar het gegeven dat zij ook willen spelen. Componisten van nu bewegen zich meer en meer richting het podium en dan niet alleen om hun eigen muziek te spelen, maar ook om deze muziek met gelijkgestemden op het podium te laten ontstaan. Componisten willen in toenemende mate het podium op en laten zo het onderscheid met musici vervagen. Daarnaast zijn de praktische voordelen zwaarwegend: productiecapaciteit, publiciteit, zakelijke ondersteuning. Allemaal makkelijker, goedkoper, leuker én beter wanneer je dat met z’n allen doet.
Praktische voordelen genoeg. En een interessante ontwikkeling is dat componisten zich op het podium thuis voelen. Maar is er meer aan de hand? Is er door een andere manier van organiseren sprake van een ander perspectief op een ‘verdienmodel’ dat het huidige kan vervangen? Opvallend genoeg ziet behalve Bart de Vrees géén van de aanwezige componisten een relatie met andere maatschappelijke ontwikkelingen. Bart de Vrees maakte duidelijk dat het denken in kleine netwerken (zoals een collectief als Monotak) voor hem ook een resonantie is van de huidige ontwikkelingen op tal van maatschappelijke gebieden. Kleinschaligheid, flexibiliteit, vertrouwen als kernbegrippen van een andere economie.
Wellicht zien we over enkele jaren dat bij deze collectieven de kiem werd gelegd voor een ander economisch model voor actuele muziek? Of domineert het praktische aspect van deze collectieven en kan iedere componist over tien jaar niet alleen componeren en musiceren maar -al da niet met ondersteuning van zijn collega’s- een poster ontwerpen, zijn publiek mobiliseren en zijn eigen inkomstenbelasting indienen?

Another Green World

Als liefhebber van zijn muziek zag ik de documentaire ‘Imaginary Landscapes’ over Brian Eno laat. Eergisteren om precies te zijn terwijl deze mooie overzichtsfilm van de Engelse musicus, componist, producer en videokunstenaar toch van eind jaren ’80 is. Enige actualiteitswaarde is dit stukje dan ook volkomen vreemd…

Een inzicht, bijna niet meer dan een anekdote van Eno trof mij in de documentaire. Eno bracht een voorbeeld naar voren wat duidelijk moet maken wat hem intrigeerde in muziek. Het voorbeeld betrof een schilderij. Stel je voor: je ziet een abstract schilderij in de stijl van Jackson Pollock (deze bijvoorbeeld). Wanneer je daar naar kijkt, zie je dat er sprake is van een zekere willekeur. Of met andere woorden: het lijkt alsof de verf betrekkelijk willekeurig op het doek is geknoeid. Wanneer nu exáct hetzelfde schilderij ernaast hangt, wijzigt je perceptie van het eerste schilderij volledig. De willekeur blijkt geen willekeur: ofwel is het ene schilderij exact nageschilderd van het andere, ofwel is er sprake van een model of ‘mal’ waarmee talloze identieke kopieën van het werk zijn te produceren. Het abstracte schilderij verliest zijn uniciteit en tegelijkertijd suggereert het een bepaald ‘plan’ dat daarvoor afwezig was.

Dit nu is wat Eno van belang vindt in muziek. De vrijheid van de inventie (het in meer of mindere mate willekeurige karakter van een melodie is vergelijkbaar met een abstract beeld å la Jackson Pollocks) die zijn echte waarde pas prijs geeft wanneer blijkt dat er ook een ‘complot’ achter blijkt te steken (het tweede identieke schilderij of, in muziek, wanneer die betrekkelijk willekeurige melodie wordt geharmoniseerd en er dus een context rond die schijnbare vrijheid blijkt te zijn gecreëerd).

Vrijheid en complot (zo noemt Eno het in de documentaire) zijn Eno’s muzikale uitgangspunten. Ze zijn terug te vinden op tal van plekken en momenten in zijn muzikale werk, van Taking Tiger Mountain tot zijn productiewerk voor U2. Het mooist echter krijgt deze gedachte vorm niet in muziek, maar in de titel van zijn baanbrekende album uit 1975: Another Green World. De achterliggende gedachte is dat de mensheid in haar ruimtereizen op zoek gaat naar het vreemde en het buitenaardse maar dan stuit op een planeet die exáct dezelfde is als die van ons: Another Green World. Columbus’ ‘ontdekking’ veranderde het beeld van de Westerse mens op zichzelf in relatie tot de aardbol; hoe zou het zijn wanneer we erachter komen dat de aarde en de mensheid volstrekt niet uniek blijken te zijn? Een mooie, frisse en tijdloze gedachte die de man zelf inspireerde tot de fantastische muziek op dat album die even aards als onaards klinkt. Luister zelf…

Talentontwikkeling en ondernemerschap

Onlangs riep het ministerie van OCW op om goede ideeën ten aanzien van toptalenten in Nederland te verzamelen. Kennelijk is het ontwikkelen van talenten niet iets waarbij het ministerie op haar eigen vermogens vertrouwt. Ten aanzien van de podiumkunsten, uiteraard een relatief kleine sector, is de talentontwikkeling voor jonge podiumkunstenaars nog maar net integraal bij het vuilnis gezet door de vorige minister van cultuur. Deze legde voor talentontwikkeling binnen de kunsten dezelfde criteria aan als voor het verspreiden van alle kunst: marktwerking.

Een eigenschap van talentontwikkeling, net zoals scholing of onderzoek is dat het geld kost dat mogelijkerwijs (veel) later pas rendeert. Zulke eenvoudige inzichten waren nu eenmaal niet besteed aan Zijlstra of aan een ander politicus van het beroerdste kabinet dat Nederland ooit heeft gekend. Marktwerking voor en na. Dat de Research and Developmentafdeling binnen een ‘normaal’ bedrijf klauwen met geld kost, weet iedereen, ook Zijlstra. En dat dat een noodzaak is om de toekomst te waarborgen ook. Maar dat er binnen de kunsten een heel goed vergelijkbare ‘afdeling’ bestaat, is dan weer een absurde gedachte. Als kunst geen geld opbrengt, mocht het in de ogen van Zijlstra immers niet bestaan.

Alle mensen worden naakt geboren maar de neoliberaal lijkt ervan overtuigd dat ie met een rekenmachine ter wereld is gekomen…

Onlangs sprak ik Taco Kooijstra, een cellist en dirigent die zich met zijn stichting al jaren inzet voor jonge dirigenten in ons land. Hij spiegelt zich daarbij aan een klasje dirigenten van Jorma Panula in Finland, een 80-jarige pedagoog die jonge dirigenten vanaf ongeveer 13 jaar opleidt en coacht. Dat doet Panula al decennia lang. De Finse muziekwereld is in de afgelopen decennia uitgegroeid tot één van de meest opvallende in de wereld. Componisten als Katia Saariaho en Magnus Lindberg worden internationaal geroemd en hun muziek prijkt op de lessenaars van de grote gerenommeerde orkesten in de hele wereld.

Dat laatste is geen toeval. Natuurlijk heeft dat heeft in de eerste plaats alles met (muzikale) kwaliteit te maken. Deze componisten verstaan hun vak uitstekend en weten muziek te concipiëren die internationaal aanslaat. De crux zit echter in de dirigenten die hun muziek op de lessenaars willen zetten. Dat blijken in een groot aantal gevallen óók Finnen te zijn. Het beste voorbeeld is Esa-Pekka Salonen, op dit moment dirigent van de Los Angeles Philharmonic na al tal van eerdere betrekkingen als dirigent te hebben vervuld. Salonen werd opgeleid door Jorma Panula en studeerde samen met Magnus Lindberg (ook een Fin ondanks zijn Zweedse naam). Salonen nam vanaf zijn eerste buitenlandse engagementen de muziek van zijn studiegenoot Lindberg mee en wist zo een groot internationaal publiek voor diens muziek te bereiken. Lindberg is één van de belangrijkste componisten van deze tijd, zeker binnen de orkestmuziek. Een statuur die hij zonder Salonen nooit had bereikt, of in elk geval niet in dit tempo.

Jorme Panula werkt ondertussen gewoon door. Dirigenten als Osmo Vänskä, Sakari Oramo, Christiaan Karlssen, Jukka-Pekka Saraste of Susanne Mälkki, werkend bij belangrijke orkesten en ensembles over de hele wereld, zijn cruciale ambassadeurs van Finse muziek. Zij zijn de pupillen die Panula op hun dertiende het geloof en het vertrouwen gaf dat ze iets konden wat bijzonder was. Het gegeven dat deze jonge dirigenten wanneer ze eenmaal de wereld in trekken eenvoudigweg de muziek van hun vrienden van het conservatorium meenemen, is even eenvoudig als logisch in te zien. Het zorgt er voor dat de Finse talentontwikkeling voor dirigenten een cultureel verdienmodel oplevert waar onze voormalige minister van cultuur alleen maar van had kunnen dromen. En waar de Finse muziekwereld goud garen bij spint. Talentontwikkeling is in een sector als de kunst de beste investering in ondernemerschap die je kunt bedenken. Dat de Finse muziek zich op internationaal topnivo beweegt en die van Nederland alsmaar verder wegzakt, heeft alles te maken met een gebrek aan geïnspireerde, activistische cultuurambassadeurs zoals deze Finse dirigenten. In Nederland pakken we liever de rekenmachine.

De neoliberale uitverkoop: cultureel ondernemerschap.

We hebben het geweten: toen bijna drie jaar geleden de meest visieloze, opportunistische en asociale regering aantrad die Nederland ooit heeft gekend werd Halbe Zijlstra staatssecretaris van cultuur. Heerlijk meewaaiend op de bruine wind die Wilders en zijn PVV door t land lieten gaan, bleek de man er trots op níets van de sector te weten. Dat zeggende leverde zijn eerste grijns op. Deze zou worden gevolgd door nog vele andere grimassen bij het steeds weer herhalen van het zalige neoliberale mantra: ‘verdien u eigen geld als elke ondernemer’.
Inmiddels zijn belangrijke pijlers van de Nederlandse cultuursector verdwenen of verzakt en heeft Zijlstra noch zijn opvolger íets gedaan aan het realiseren van maatregelen die het aantrekkelijk moet maken te investeren in cultuur of vermogende partijen te verbinden aan de kunstsector. En blijkt daarnaast dat tal van hooggeplaatste politici, met Zijlstra’s partijgenoten van de VVD voorop, er een hobby van maken gemeentelijke, provinciale of rijksgelden geld weg te sluizen naar privé-‘ondernemingen’ ter ondersteuning van eigen belangen of die van hun vrindjes.
Is het dát ondernemerschap dat Zijlstra bedoelde: het wegsluizen van publiek geld ter persoonlijk voordeel? Precies dat, wat hij en zijn kornuiten systematisch en opzichtig kunstenaars en andere ‘subsidieslurpers’ in de schoenen schuiven: het misbruiken van subsidiegeld?

Het is me wat. De Gouden Eeuw, het door velen geroemde hoogtepunt van de Nederlandse schilderkunst, kon niet alleen bestaan door geweldige kunstenaars maar dreef op de aanwezigheid van de enorme rijkdom die ons land destijds bezat. Rijkdom die óók gebruikt werd om kunst mee te produceren. De Nederlandse kunst uit de Gouden Eeuw is in de loop der eeuwen bepalend geworden voor onze identiteit; haar imago zorgt nog immer voor een permanente impuls aan de wijze waarop Nederland zich internationaal profileert. Maar was Rembrandt een ondernemer in de zin dat Zijlstra dat bedoelde? Maakte Rembrandt een offerte voordat hij de kwast in de verf stak? Een marketingplan? Ik dacht het niet.

Het cultureel ondernemerschap van Zijlstra en zijn grijnzende adjudanten bestaat niet. Het heeft ook nooit bestaan, tenzij in de hersenspinsels van handige charlatans en politici zonder idee van de waarde van cultuur. Rembrandt schreef geen offertes, maakte geen marketingplan: hij schilderde werk dat deel is gaan uitmaken van de cultuur van mij, u én van Zijlstra cs.

Een overheid die investeringen in de cultuur overlaat aan de markt, heeft besloten haar toekomstige identiteit ondergeschikt te maken aan die van McDonalds, Shell of Nestlé. De overheid -en dat definieer ik heel naïef als wij, onze maatschappij, ons land, ons idee over onszelf en perspectief op onze toekomst- is de eerste en belangrijkste belanghebbende bij het stimuleren van cultuur. Kunst en cultuur maken Nederland tot Nederland. Zonder Rembrandt, Van Gogh of Rietveld ís er helemaal geen Nederland. Normen en waarden, inmiddels bejaarde termen uit de tijd van Balkenende waarmee we evenwel dagelijks worstelen, komen voort uit gedeelde culturele vergezichten die mensen een kader biedt voor hun identiteit, levenswijze en zicht op de wereld. Normen en waarden ontspruiten niet uit jaarrekeningen, investeringen of een 4-baans snelweg.

Dat ondernemerschap is een farce, een stok om de kunst en haar beoefenaars mee te slaan op het moment dat het de neoliberale slopersbende gerieft. Marktwerking in alle ‘onstoffelijke’ sectoren van de samenleving leidt tot een puinhoop die geen enkel probleem oplost, méér geld kost dan ooit tevoren, inefficiënt werkt en bovendien het geld in de verkeerde zakken laat stromen. Kijk naar de gezondheidszorg, de bankensector en de pensioenverzekeraars. Niemand die er iets mee is opgeschoten behalve ondernemers die het gat ingedoken zijn en datgene wat voorheen publiek geld was nu zelf opstrijken.

Overigens gaat dát de kunst niet gebeuren. Er komt namelijk geen enkele ‘marktpartij’ de enorme krater vullen die voorheen bijvoorbeeld ‘talentontwikkeling’ heette. Omdat het geen markt is en nooit zal worden. Kunstproductie kost geld omdat je investeert in een product dat onbekend is, waarvan je niet weet of het ‘goed’ is en evenmin of de mensen het ‘leuk’ zullen vinden. In veel gevallen blijkt het geld te kosten, zo nu en dan draait de boel kostendekkend en soms, héél soms levert het iets op waar generaties lang nog aan wordt verdiend. De term ‘cultureel ondernemerschap’ verhult een laffe houding ten opzichte van het uitdragen van een zekere ‘nationale’ identiteit. Waarom zou ‘de overheid’ de Nederlandse identiteit laten bepalen door ‘marktpartijen’. Het naar boven halen van de ‘waarde’ van kunst schuilt niet in een goed bedrijfsplan, maar in de keuzes die overheden, kunstfondsen en mecenassen maken in kunstontwikkelingen die een onderscheidend, innovatief perspectief op onze toekomstige identiteit geven.

Onlangs werd bekend dat de bezoekcijfers bij de podiumkunsten in ons land een teruggang van enkele tientallen procenten laat zien. En die cijfers komen uit 2012: nog vóórdat de bezuinigingen van Zijlstra echt effectief werden. Zoals Ryclef Rienstra (directeur van de VandenEnde Foundation) hier aanduidt, is de grootste schade die het kabinet Rutte I heeft aangericht imagoschade. Door het nog nimmer vertoonde dedain van de betrokken politici in de discussie over de cultuur heeft de kunst, de kunstenaar en het publiek voor een deel het vertrouwen in zichzelf verloren. Die schade is nooit meer in te halen.

Marktwerking dus. Medici worden ondernemer en zijn gebaat bij het vergroten van hun markt: hoe meer mensen er ziek zijn, hoe beter. De huursector wordt momenteel door VVD’er Blok met kenmerkend gebrek aan kennis onder handen genomen met als doel het privatiseren ervan. Weg met de sociale woningbouw. De huurbaas interesseert alleen de hoogste prijs, creëert dus graag schaarste én daarmee, uiteraard, een groot aantal woningzoekenden. De mooiste moet nog komen: het privatiseren van de gevangenis. Doet u zelf even de analyse en stelt u vast waar de ondernemende gevangenisdirecteur naar streeft. Juist ja.

Vorige week heeft senator Rogier van Boxtel (geen familie) een motie ingediend in de Eerste Kamer waarin gevraagd wordt om de effecten van de cultuurbezuinigingen helder in kaart te brengen. Een motie. Het is dus géén staande beleid dat bezuinigingen die zó ingrijpend zijn en met zoveel rumoer waren omgeven, op hun doelmatigheid worden geëvalueerd. En kennelijk is de Tweede Kamer niet geïnteresseerd. Er wordt niet nagedacht, een visie ontwikkeld of zelfs maar geëvalueerd. Er wordt louter en alleen gesloopt.
Maakt u zich geen illusies over degenen die dit uitvoeren. Het gaat hier niet om ‘weeffouten’ of ‘opstartproblemen’ of abusievelijke consequenties van goed beleid. Dít is wat deze mensen -de Zijlstra’s, Bloks en de Opsteltens- willen. Zij die zichzelf presenteren als ‘postideologisch’ en zich beroepen op hun zuiver rationale, pragmatische denkwijze zijn in werkelijkheid allesbehalve zonder ideologie. Hun profetie berust op onder meer de macabere romans van Ayn Rand die ook de rechterkant van de Amerikaanse republikeinse partij al enkele tientallen jaren beïnvloedt. ‘The virtue of egoism’, leest u maar: ‘de maatschappij bestaat niet‘. Alleen de markt bestaat. En wie niet meedoet aan de markt, is een onbenul en onze aandacht niet waard. Zo luidt in het kort de heilsboodschap binnen de neoliberale parochie.

En zoals dat gaat met gelovigen: ze doen álles om hun gelijk te halen. Ook het kopen van niet functionerende gevechtsvliegtuigen die we niet nodig hebben en die we niet kunnen betalen. Dát is de zuivere rationaliteit van de (Nederlandse) neoliberaal.

Ach, u hoeft mij natuurlijk ook niet te ‘geloven’. Maar op een dag, bijvoorbeeld wanneer groenten uit uw eigen tuin onbetaalbaar zijn geworden door een monopolie op zaden én het heffen van omzetbelasting, denkt u wellicht nog eens aan dit malle stukje. Of gewoon vandaag: de dag dat de neoliberalen de publieke omroep verder slachten zodat we naar nog meer ‘vermarkte’ onzin kunnen kijken.


Geerts Twitter

Deze site


Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.