Elliot Carter schreef meer dan 20 jaar lang geen vocale muziek. Uit de steevast tegenvallende uitvoeringen van zijn werk trok hij de conclusie dat zijn muziek te complex was voor zangers en besloot zich nog uitsluitend op instrumentale muziek te richten. Daar kwam verandering in toen Speculum Musicae, een in New York gevestigd ensemble, hem vroeg een liederencyclus te schrijven ter gelegenheid van het 200-jarig bestaan van de Verenigde Staten van Amerika. Carter koos voor enkele gedichten van Elizabeth Bishop. Bishop, die zelf ooit componist wilde worden maar uiteindelijk koos voor de taal, won talloze prijzen voor haar poëzie en korte verhalen en eindige haar imposante carrière met een docentschap aan Harvard. Elliot Carter waardeerde haar heldere taalgebruik en de fantasievolle wijze waarop haar poëzie gebruik maakt van klank. Daarnaast was Carter gecharmeerd van het perspectief van Bishops gedichten waarin een tweede betekenislaag -ironisch of juist gepassioneerd- een speciale sfeer tot stand brengt. Carter koos zelf de volgorde van de liederen voor A Mirror on Which to Dwell.

De naam A Mirror on Which to Dwell is ontleend aan een regel uit het gedicht Insomnia: ‘…she’d tell you to go to hell, / and she’d find a body of water, / or a mirror, on which to dwell…’. In deze tekstregel resoneren verschillende elementen: de naam van het ensemble (‘Speculum’ betekent spiegel), de gedachte dat deze woorden eigenlijk over alle poëzie zouden kunnen gaan én Carters wens was dat zijn muziek een spiegel zou kunnen zijn voor de teksten van Elizabeth Bishop. Het stuk, zes min of meer onafhankelijk van elkaar staande liederen, ging in première onder leiding van Richard Fitz aan wie het werk ook is opgedragen. Sopraan Susan Davenny Wyner wist Elliot Carter er bij die gelegenheid van te overtuigen dat de zangkunst een enorme ontwikkeling had door gemaakt sinds de componist uit scepsis de vocale muziek had losgelaten.

De zes liederen waaruit A Mirror on Which to Dwell bestaat, tonen een afwisseling tussen gedichten die de spanning rond de liefde adresseren en teksten die over een meer universele angst handelen. De regel ‘Where is the music coming from, the energy?’ somt de disoriëntatie en het ongeluk op waaromheen de tekst en de muziek zich wentelen in het eerste lied Anaphora. Carters muziek, uiterst beweeglijk en dwingend, onderstut de beelden en de psychologische connotaties die de tekst oproepen. De veelheid aan impulsen en lucide beelden is overrompelend en komt tot stilstand in de regels ‘Oh promptly he appears and takes his earthly nature instantly’. De allesoverheersende, bijna betoverende kracht van de tekst is door Carter in muziek vervat met een instabiele ritmische structuur van piano en vibrafoon: de tempoverhouding tussen de twee is 65:69 waardoor ze slechts op twee momenten in het lied samenvallen. In Anaphora horen we het voltallige ensemble, net als in het vijfde lied.

In Argument is de bezetting ingekrompen tot slagwerk, piano, fluit, klarinet en lage strijkers. Tijd en afstand zijn de twee termen van het argument dat Bishops tekst optrekt, een conflict dat in de muziek wordt versterkt. De blaasinstrumenten ondersteunen de zanglijn boven een contrapuntische begeleiding van bas en cello. Een conflict op zichzelf is de strijd tussen piano en bongo’s die zich daartussen in lijkt te bevinden.

In Sandpiper, geïnstrumenteerd voor hobo, piano en strijkers, treffen we de dichter aan in de hoedanigheid van een vogel die over het strand loopt, met staccato noten in het zand pikt, onbewust van de enormiteit van de natuur om zich heen en van de irrelevantie van zijn beslommeringen.

Insomnia is de neerslag van een dichterlijke wereld waarin de liefde wordt beantwoord in plaats van ontkend. Komend vanuit een diepe behoefte aan liefde, rijgt de tekst inversies aaneen terwijl de muziek tegengestelde bewegingen laat vertrekken. Het melodisch materiaal, in pointilistische texturen, van het hele lied is opgebouwd uit de eenvoudige intervallen uit de zanglijn en hun omkeringen.

A View of the capitol from the Library of Congress is het enige lied in deze korte cyclus dat zich verhoudt tot de aanleiding van de compositie: de bicentennial van de Verenigde Staten. De tekst positioneert op een subtiele manier politiek tegenover kunst en refereert voortdurend aan muziek. Op Ivesiaanse wijze wordt een ‘Air Force Band’ geïntroduceerd en in de laatste, gefluisterde, zin is een suggestie aan de militaire dreiging die er van deze ‘band’ uitgaat: ‘The gathered brasses want to go boom-boom.’

De rusteloze woorden van O Breath nemen halverwege elke tekstregel even adem, zoals de typografie van het gedicht toont. Gespeeld door blazers, strijkers en een zachte, diep rommelende trommel, is dit het fraaie, haast romantische slotlied van een indrukwekkende liederencyclus waarvan de diepgang omgekeerd evenredig lijkt aan de beknopte lengte.

Advertenties

Geerts Twitter

Deze site


%d bloggers liken dit: