Misschien ligt de grootste bijdrage van Franz Schubert aan het liedrepertoire niet zozeer in de even fantastische als revolutionaire wijze waarop hij honderden teksten heeft getoonzet, maar in de bundeling van deze liederen tot cycli als het donkere, onheilspellende Winterreise of Die schöne Müllerin. Schubert weet in deze liedcycli onvermoede relaties bloot te leggen tussen de verschillende liederen, zodanig, dat het resultaat de som der delen ruimschoots overstijgt: deze liedcycli bezitten een dramatische kracht die vergelijkbaar is met een kameropera.

De nu vrijwel vergeten dichter Wilhelm Müller inspireerde Schubert tot het componeren van Die Winterreise en –iets eerder- tot Die schöne Müllerin. Volgens de overlevering leende Schubert in 1824 een dichtbundel van een vriend en las voor het eerst het werk van Müller. De dag erna bracht Schubert het boek terug en liet daarbij meteen een aantal liederen horen die hij op basis van teksten uit Die schöne Müllerin al gereed had.

Vergeleken met de ingetogen klanken van Die Winterreise lijkt Die schöne Müllerin een verzameling opvallend eenvoudige liederen in een meestentijds luchtige toonzetting. De teksten zijn doorgaans strofisch (verschillende coupletten van een lied voorzien van dezelfde muziek) en de muzikale taal is schijnbaar ongecompliceerd in overeenstemming met het onderwerp. Wanneer iets over de helft van cyclus de liefde van de protagonist in gevaar komt, verschiet de muziek geleidelijk van kleur: de mineurtoonsoort domineert en de kabbelende, soms uitbundige klanken van het begin maken plaats voor spaarzame texturen met een sombere atmosfeer.

Een opvallende overeenkomst in de teksten van Die Winterreise en Die schöne Müllerin is de sterke band met de natuur. Wordt in Die Winterreise gaandeweg alles verblind door het sneeuwlandschap, in Die schöne Müllerin overheerst de symboliek van de kleur groen: de liefde is pril, de lente nadert, de uitdossing van de jager die ten tonele verschijnt is groen, evenals het nabijgelegen woud. Hier spreekt de romantische tijdgeest waarin de natuur over de mens domineert zonder dat deze hierin kan ingrijpen of eigenlijk maar kan bevatten wat hem overkomt. Het is het vraagstuk van de moderne mens dat wordt aangesneden: losgerukt uit haar natuurlijk verband, is de mensheid niet meer in staat om zijn natuurlijke oorsprong te bevatten en zal deze een eeuwig onbereikbaar ideaal blijven.
Het is de vorm van de liederencyclus die Schubert de gelegenheid gaf om deze romantische symboliek haar juiste plek te geven en zijn melodische gave volledig te benutten. Terugkerende onderwerpen in verschillende liederen worden muzikaal steeds zó behandeld dat ze niet alleen in perfecte overeenstemming zijn met de tekstuele inhoud, maar ook steeds vergelijkbare gedaanten bezitten.

In het allereerste lied, Das Wandern, hebben de eerste drie coupletten dezelfde muziek: snel kabbelende arpeggiofiguren domineren de pianopartij. De tekst verandert: de drie strofen handelen respectievelijk over ‘das Wandern’, het water, en het rad van de watermolen. Op deze wijze wordt de beweging, die de drie onderwerpen in zich dragen, benadrukt en een relatie gelegd die gedurende de hele liedcyclus een rol blijft spelen.

Eenzelfde snelle piano-begeleiding bepaalt de doorgaande beweging in het tweede lied: Wohin? Daar horen we de beek stromen die de wandelaar tijdens zijn tocht tegenkomt en besluit te volgen. In het derde lied voert de loop van het water de wandelaar naar een molen, waar hij denkt te vinden wat hij zoekt. De alsmaar doorgaande beweging in de pianopartij wordt hier enigzins opgehouden door de basnoten in het begin.

Een wat meer bedachtzame, maar nog immer vloeiende pianobegeleiding domineert Danksagung an den Bach. Ook de tot dan toe uiterst uitbundige, levendige sfeer wordt hier –nog maar heel licht- van een onrustbarende gedachte voorzien: heeft de beek de wandelaar doelbewust naar deze plek geleid? Am Feierabend onthult de diepe wens van de wandelaar: het hart veroveren van het mooie molenaarsmeisje. De tekst wordt wat meer verhalend en beschrijft het werk van de wandelaar op de molen; prachtig geïllustreerd in de openingsmaten wanneer krachtige piano-akkoorden de opmaat vormen voor snel voorspinnende pianonoten.

Diepe twijfel maakt zich van de protagonist meester in Der Neugierige. Tonaal ambivalent en statisch en een regelmatig stokkend ritme, overpeinst hij zijn lot: hij vraagt de beek, die hem immers hierheen heeft gevoerd, of zijn hart hem heeft bedrogen. Een schitterende slotzin in de pianopartij geeft uitdrukking aan de twijfel in de vraag die de wandelaar zichzelf stelt: ‘liebt sie mich?’ De twijfel slaat om in ongeduld in het zevende lied. Een grillige baslijn en een geagiteerd ritme voeren steeds naar dezelfde uitroep: ‘Dein ist mein Herz’.

De onrust is geluwd en de twijfel naar de achtergrond verdreven; zij maken plaats voor een gevoelige, lyrische Morgengruß aan het molenaarsmeisje. Onze wandelaar stelt dat hij tevreden en gelukkig zal zijn met elke gimps die hij van haar kan opvangen. Des Müllers Blumen handhaaft de kalme gemoedsrust. Een ontmoeting bij de beek tussen minaar en geliefde is het onderwerp van Tränenregen. ‘Wir schauten so traulich zusammen hinab in den rieselnden Bach’. Het symbool van zijn onweerstaanbare liefde is de beek –de wandelaar werd door het stromende water naar zijn geliefde gevoerd- de beek wordt door beiden aanschouwd en het samenzijn wordt besloten met haar vertrek: er komt regen…

In Mein horen we de wandelaar in een uiterst optimistische bui; ‘Sie ist mein’. Hij beklaagt zich over het feit dat de zon niet wat harder schijnt en de lente niet wat meer bloemen voortbrengt; het doet geen recht aan het intense geluk dat hem is overkomen. Het voortspoedende, kort afgebonden ritme drukt treffend het naïeve, ondoordachte geluk van het ik-personage uit.

Pause verhaalt over de luit van onze wandelaar. Het spijt hem dat hij niet meer zingt: ‘Mein Herz ist zu voll’. Melancholische klanken begeleiden zijn overpeinzingen: zijn verdriet is zo groot dat geen klank op aarde het zou kunnen omvatten. Schubert toont zijn uiterst subtiele tekstbehandeling wanneer hij – met een ongekend dramatitisch effect- een inderdaad onaards akkoord onder deze tekst plaatst.

De kleur groen speelt een sleutelrol in de volgende liederen. In Mit dem grünen Lautenbande betreurt het molenaarsmeisje het verkleuren van de groene draagband van zijn luit. De luit waarop hij niet meer speelt. Maar nog wil het ik-personage niet geloven dat zijn liefde onbeantwoord blijft: ‘Weil unsre Liebe ist immer grün, weil grün der Hoffnung Fernen blühn’. Der Jäger brengt de harde werkelijkheid naar boven. Woede en paniek maken zich van de hoofdpersoon meester wanneer zich een jager (gekleed in het groen) aandient. Hij tracht hem weg te sturen maar beklaagt zich in het volgende lied –Eifersucht und Stolz– alweer over zijn opvliegendheid. Waarom richt hij zijn aandacht op een onschuldige jager en niet op het meisje? De ik-persoon realiseert zich te laat dat hij zich heeft laten meevoeren op de verkeerde stroom: ‘Wohin so schnell, so kraus und wild, mein lieber Bach?… Kehr um, kehr um!’ Maar hij ziet ook dat het molenaarsmeisje interesse toont in de jager en verbijt zich over zijn ongeluk. In een woeste stroom ijlt de pianobegeleiding voort, in eendracht met de onrechtvaardige woede van de hoofdpersoon, die de controle over zichzelf lijkt te verliezen.

De laatste hoop op het winnen van de liefde van het molenaarsmeisje vervliegt in het schitterende Die Liebe Farbe. ‘Mein Schatz hat’s grün so gern – Mein Schatz hat jagen so gern…. Een ijzingwekkende melodie, vol van verloren verwachting en diepe melancholie, voert de boventoon in dit íntrieste lied. Die böse Farbe is het logisch gevolg van het voorgaande: de wanhoop wijkt voor boosheid en wanneer de hoorn van de jager door de velden klinkt en de gewezen minnaar haar venster geopend hoort worden, is zijn ongeluk compleet. Summiere akkoorden in het ritme van een treurmars openen Trockne Blumen. De lente zal spoedig komen en groene bloemen zullen het graf van de ongelukkige sieren.

Der Müller und der Bach is een dialoog tussen de molenaar en de beek en vormt samen met het laatste lied een epiloog van Die schöne Müllerin. De molenaar betreurt de verloren liefde: ‘Da halten die Englein die Augen sich zu.’ De beek bevestigt de eeuwigheid van het leven: wanneer liefde verdwijnt, verschijnt zij elders weer. De molenaar wijst de beek erop dat deze geen idee heeft van de liefde en beter een lied kan zingen: Des Baches Wiegenlied.

Advertenties

2 Responses to “Franz Schubert – Die Schöne Müllerin (1824)”


  1. 1 jan 19/01/2017 om 4:04 pm

    Prachtig verhaal

  2. 2 Mike 05/04/2017 om 9:28 pm

    Bedankt. Hier was ik naar op zoek.


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s




Geerts Twitter

Deze site


%d bloggers liken dit: