Franz Schubert geniet tijdens zijn korte leven niet de roem die mensen als Mozart of Beethoven ten deel is gevallen. Zijn vader, schoolmeester in Wenen, ziet een carrière in de muziek niet als een serieuze optie, met als gevolg dat de onmiskenbaar bijzondere muzikale kwaliteiten van zijn zoon niet worden aangegrepen om hem als ‘wonderkind’ aan de buitenwereld te presenteren. Vanaf zijn achttiende jaar werkt Franz Schubert evenwel aan een serieuze carrière als componist. Hij componeert koorwerken en schrijft kamermuziek met als doel zich een plaats in het muziekleven te verwerven. Pretenties lijken hem vreemd: Schubert componeert voor zijn tijdgenoten en realiseert zich pas op latere leeftijd dat zijn muziek het waard is om haar schepper te overleven. Zonder veel publieke erkenning moet de componist vechten tegen armoede en ziekte, slechts ondersteund door de warme reacties van een paar vrienden. Hij componeert het ene werk na het andere: in 1815 alleen al voltooit hij 144 liederen. Tot op de dag van vandaag is het lied de vorm waarmee Schubert vooral wordt geassocieerd: in totaal prijken er maar liefst zo’n 600 op zijn oeuvrelijst.
De persoon van Franz Schubert is een vat vol tegenstrijdigheden: een bourgondische levensgenieter vol banale grappen, maar ook een dolende zwerver, geobsedeerd door dood, mislukking en eenzaamheid. Die tragische kant heeft in de beeldvorming de overhand gekregen en de mythe van de lijdende en miskende componist kent in hem zijn patroonheilige. Hoewel Schubert ook lichtvoetige muziek is blijven schrijven, kenmerkt zijn latere werk, zoals Winterreise en het nog somberder Schwanengesang, zich vooral door de onheilszwangere thematiek van verlatenheid en dood.

Winterreise neemt een centrale plaats in in het liedoeuvre van Schubert en in de harten van de liefhebbers van zijn muziek. Van het werk verschenen tot op heden honderden cd-opnames. Deze erkenning heeft echter op zich laten wachten: toen Schubert Winterreise liet horen op een voorspeelavond aan zijn vrienden, reageerden zij met ontzetting en verbijstering. De 24 liederen hadden volgens de toehoorders zo’n desolate en duistere atmosfeer dat de door hen bewonderde componist zich al halverwege de cyclus aan gene zijde van het leven moest bevinden. De liedcyclus voert de luisteraar mee door een ijzingwekkend winters landschap, wat zich nog maar ternauwernood in menselijke termen laat beschrijven. De protagonist wordt slechts aangeduid als ‘Der Wanderer’ en hij neemt de luisteraar aan de hand door zijn diepste zielroerselen, verborgen angsten en onbekende verlangens. Winterreise is in dit opzicht een meesterwerk van het Romantische denken, zoals dat in het begin van de negentiende eeuw langzaam terrein wint. De hang naar het onbekende, het onbereikbare en het onwereldse spreekt uit de tekst van elk lied van Winterreise. Deze reis is niet zomaar een reis: het is een enkele reis naar het onbekende. ‘Eine Straße muß ich gehen, die noch keiner ging zurück’, heet het in Der Wegweiser.
De tekst van Winterreise is van de nu vrijwel vergeten dichter Wilhelm Müller die tijdens zijn (eveneens korte) leven echter een grote populariteit genoot. Heinrich Heine, een boegbeeld van de Duitse literatuur, zei over de gedichten van Müller: ‘eenvoudige gedichten, moeilijk te maken’ en sprak ooit de hoop uit hij zelf nog eens in één adem genoemd zou worden met Müller. De eenvoud van de teksten van Winterreise is evenredig met de zeggingskracht: de sobere gedichten bezitten een enorme diepgang, die door Schubert werd onderkend en hebben geleid tot één van de meest indringende muziekwerken uit de geschiedenis.
Het mag duidelijk zijn dat Winterreise geen luchtig werk is geworden. Schubert schreef zelf ooit in zijn dagboek: ‘Verdriet scherpt het verstand en sterkt het gemoed, terwijl vreugde zich daarentegen zelden om het eerste bekommert en het tweede verwekelijkt of frivool maakt.’ Winterreise is te zien als een boetedoening, de laatste tocht van een stervende of zelfs de overpeinzingen van iemand die reeds onderweg is naar de dood. ‘So zieh ich meine Straße dahin mit trägem Fuß, durch helles, frohes Leben, einsam und ohne Gruß’. De ‘Wanderer’ is niet meer of zal niet lang meer deel uitmaken van onze wereld. Zijn blik is op de verte gericht, op een naderend einde. Een blik die vertroebeld is door de overweldigende monotonie van een verblindend sneeuwlandschap, de totale eenzaamheid en een volstrekt ongewisse toekomst. Er is slechts één zekerheid: ‘Jeder Strom wird’s Mer gewinnen, jedes Leiden auch sein Grab.’
In Winterreise verlaat de reiziger de stad en trekt door de winterse natuur. Beekjes, bomen, kraaien en sneeuw bevolken zijn wereld en zijn gedachten resoneren met deze verschijnzelen en hun winterse gedaante. Schubert doet recht aan elk woord en elke wending in de tekst: zowel de zangpartij als de pianobegeleiding interpreteren, illustreren en becommentariëren de woorden.
De veelvormigheid van deze gedachten zijn steeds voorzien van de juiste toonzetting en sfeer op een wijze die dat tot dan toe ongehoord was. Met name het toonsoortenplan dat ten grondslag ligt aan Winterreise is zorgvuldig geconstrueerd en in overeenstemming met de dramatische ontwikkelingen in de het tekstverloop.

Het eerste lied draagt de titel Gute Nacht en de teneur van het werk is reeds snel duidelijk: ‘Fremd bin ich eingezogen, fremd zieh ich wieder aus’, is de eerste zin. Er is sprake van een verloren gegane liefde die door de ik-persoon een goede nacht wordt gewenst; een laatste afscheid van iemand die niet meer weer zal keren in deze wereld. Een spaarzame pianobegeleiding illustreert de eenzaamheid en berusting die het lied domineren. Een wat beweeglijker lied is het tweede: Die Wetterfahne. In de eerste maten horen we de wind onrustig rond het huis van de geliefde waaien. Het is één van de vele voorbeelden in Winterreise waar de muziek een sterk descriptieve rol bezit. Héél sterk is dat in Gefrorne Tränen, waar je in de pianopartij de tranen hoort vallen en stollen. In het vierde lied, Erstarrung, is de ‘Wanderer’ op zoek naar de sporen van een wandeling met zijn geliefde die hij ooit op die plek maakte. Tevergeefs; het bewijs van deze herinnering is onzichtbaar door de sneeuw. De tijd heeft de sporen uitgewist…

Der Lindenbaum is één van de bekendste liederen uit de cyclus en wordt ook vaak zelfstandig uitgevoerd. Ook hier wordt de ik-persoon weer geconfronteerd met herinneringen aan vroegere, liefdevollere tijden. In de schaduw van de boom droomde hij menig droom en in de boombast kraste hij ooit de naam van zijn geliefde. Het achtste lied is Rückblick. Een gedreven piano-introductie symboliseert de vlucht die deze reis feitelijk is. Niet meer omkijken, niet meer terug: ‘Es brennt mir unter beiden Sohlen’.
Dan lijkt er licht aan de horizon te verschijnen: Frühlingstraum. Een lichte, vloeiende melodie klinkt en de reiziger beschrijft zijn droom. Dan wordt hij wakker en is het koud en donker; de muziek wordt dramatisch en zwaar. Het is een droom uiteraard, en de reiziger beseft dat hij het geluk alleen nog daarin zal kunnen vinden. Einsamkeit heeft een treffend kale pianopartij: de wolken drijven langzaam voorbij en de reiziger beklaagt zich. Als de storm maar zou opsteken, zou zijn ellende niet zo erg zijn. De reiziger raakt verder op drift en in zichzelf gekeerd: slechts in barre omstandigheden voelt hij zich zelf nog thuis. Het licht en de luchtigheid van de wereld is niet meer zijn thuis.

Net als Der Lindenbaum wordt ook Der Post nog wel eens zelfstandig uitgevoerd. Een voortijlende pianopartij illustreert de snelheid van de postkoets die langs rijdt en uiteraard: er is geen post voor onze reiziger.
Der greise Kopf toont de wereld en de ik-persoon in hun gezamenlijke ouderdom: de rijp vormt een grijze waas over zijn hoofd. De reiziger vraagt zich af hoever hij nog van de dood is: ‘Wie weit noch bis zur Bahre’.
Grillig en beweeglijk opent de pianopartij het vijftiende lied: Die Krähe. De kraai is met de reiziger uit de stad vertrokken en staat symbool voor de naderende dood van de ik-persoon: ‘toon mij eindelijk/trouw tot aan het graf’. Im Dorfe start met het verre geblaf van honden in de nacht. De reiziger trekt voorbij aan een dorp en mijmert over de dromen die de bewoners van het dorp op dat moment hebben. Zelf is hij ‘alle dromen voorbij’.

De vereenzelviging van de hoofdpersoon met zijn omgeving vindt een nieuw hoogtepunt in Der stürmische Morgen. ‘Mein Herz sieht an dem Himmel gemalt sein eigenes Bild/es ist nichts als der Winter.’ In het contemplatieve Der Wegweiser vraagt de reiziger zich af welk verlangen hem drijft op deze tocht waarvan niemand ooit terugkeerde. De ik-persoon denkt dat hij reeds aan zijn einde is gekomen, maar in ‘Das Wirtshaus’ (de herberg) is nog geen plek voor hem; de herbergier wijst hem de deur en hij zal zijn weg nog moeten vervolgen –dodelijk verwond als hij is.
We naderen evenwel het einde van deze vermoeiende reis. Met hernieuwde moed vervolgt de reiziger zijn tocht: hij voelt niets meer, hoort niets meer, maar zingt monter en helder. In Die Nebensonnen is het leed bijna geleden. Gedragen en gelaten aanvaard de protagonist het feit dat hij het duister verkiest boven het zonlicht.
Der Leierman is het laatste lied uit deze cyclus en het dramatische hoogtepunt van deze bizarre tocht. In de uiterst sobere pianobegeleiding is nog iets te horen van de melodie die de orgeldraaier speelt, terwijl hij blootvoets op het ijs staat. Deze orgeldraaier bevindt zich niet meer in onze wereld en de reiziger vraagt zich af: ‘Wunderlicher Alter, soll ich mit dir gehen?’ Schubert schreef zelf over dit lied: ‘Das Zeug soll der Teufel spielen’. Ook de muziek lijkt afkomstig van gene zijde en Schubert legt eens te meer zijn eigen doods-angst of –verlangen bloot. Een éénmalige tocht is tot een einde gekomen en de lente keert nooit meer terug…

Advertenties

9 Responses to “Franz Schubert – Winterreise (1827)”


  1. 1 Thorsten 28/04/2013 om 12:41 am

    Hello There. I found your blog the use of msn.

    This is an extremely well written article. I will make sure to bookmark it and come back to learn more of your useful
    information. Thank you for the post. I’ll definitely comeback.

  2. 2 ben 13/10/2013 om 11:09 am

    nooit geweten dat het zo dramatisch is

  3. 3 els 25/01/2016 om 11:53 am

    een verhelderende uitleg

  4. 4 Arnold 16/02/2016 om 3:27 pm

    Bedankt voor deze uitleg. Het beluisteren van de muziek wordt zo veel fijner.

  5. 5 janneke 01/03/2016 om 8:34 pm

    Janneke. Mijn moeder zong vroeger uit deze bundel. Als jong kind begreep ik niets van het Duits, maar het ontroerde me wel. Nog steeds lopen de rillingen over mijn rug bij de eerste noten van het Gute Nacht.
    Dank voor de goede uitleg.

  6. 6 René Meeuws 20/07/2016 om 9:09 pm

    Het instrument in het laatste lied is met zekerheid géén orgel, maar een draailier. Een “Leiermann” is een draailierspeler, iemand die een Leier of Drehleier bespeelt, een draailier dus. Een Leierkasten is een draaiorgeltje en de bespeler daarvan is een Leierkastenmann. Zeer irritant dat recensenten nog steeds die onuitroeibare fouten van elkaar overschrijven!

  7. 8 jp Koch 02/02/2017 om 12:39 am

    Prachtig, zeer rijke en ontroerende analyse van de Winterreis

  8. 9 Gesina 02/10/2017 om 1:10 pm

    Ik vind de winterreise prachtig ik kan schubert voor me halen zoals ik wil


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s




Geerts Twitter

Deze site


%d bloggers liken dit: